Meier-Engelenspoor
Publicatie datum

18/02/2017

ISBN

978-94-92339-24-9

 17,00

Engelenspoor

Auteur: Jan M. Meier

In de bundel Engelenspoor duiken de gevederde geesten overal op. Zij zijn niet zozeer hemelse wezens, maar staan symbool voor aardse zaken als afscheid en dood. Die delicate thema’s weet de dichter op een ontroerende wijze te verwoorden. Tussendoor slaat hij soms een iets lichtere toon aan en speelt hij met de afwisseling tussen het hoge en het lage. Zo komt een engel ‘aangevlogen in een handig zelfbouwpakket’.

Jan M. Meier speelt schijnbaar moeiteloos met taal. Er gebeurt in zijn werk altijd iets spannends, niet alleen op het niveau van de gedichten, maar ook op dat van de cycli en de bundel als geheel. Hij vindt verborgen geluiden ‘in de woorden voorbij de bewoonde woorden’, en hij ‘golf[t]de woorden sla[at] pingpong / snel door de zinnen / smeer[t] de woordgewrichten / geef[t] klank aan de keel / tongzoen[t] de vermaakte taal’. Zijn gedichten klinken als muziek en lijken vaak gecomponeerd.

Knipsel

het was alsof 

alsof je zonder benzine viel
zo viel je plots zonder woorden
uit je koffer putte je nog
een arm om een schouder
een hoofd tegen mijn hoofd

de verstilde taal van een verhaal
te wanhopig voor woorden

Over de auteur

Jan M. Meier (Gent, 1951) is het pseudoniem van Jean-Marie Maes, een Vlaams auteur en criticus. Hij was medeoprichter en redacteur van Restant, redacteur van Yang en tegenwoordig van Deus ex Machina. Hij publiceerde creatieve, literair-kritische en wetenschappelijke bijdragen in bladen als het Nieuw Vlaams TijdschriftDe Vlaamse GidsYangPoëziekrant en Ons Erfdeel. Als dichter debuteerde hij met de bundel Figuratie (1972), die bekroond werd met de debutantenprijs voor poëzie van de provincie Oost-Vlaanderen. Het grootste deel van zijn poëzie is niet gepubliceerd, maar daar komt nu verandering in.

Recensies

  1. :

    “Herinneringen wellen op ter (na)gedachtenis van wie door een vorm van atrofie werd getroffen. Na de dood van een geliefde gaan de dingen spreken. Blijkens een noot zijn deze twaalf gedichten “deels geïnspireerd door het werk van Berlinde De Bruyckere.” De troostrijk toedekkende of huilend bloedende doeken van de beeldende kunstenares en de woorden van de dichter ontmoeten elkaar, een liaison dangereuse die een harmonisch huwelijk niet uitsluit.”

    Jacob Baert, Ambrozijn, 2018

  2. :

    “Engelenspoor leest als een liedtekst en is uitermate zangerig. (…) De dood is de spil en het grote thema. De bundel eindigt met: ‘de winter komt altijd / te zacht en te laat.’ Zo is het timbre en ritme van de bundel. Zacht. Een megazwaar onderwerp. Dood, verlies. Maar o zo zacht neergeschreven. (…) ‘De laatste adem ingebed / tussen zang en zucht’. Dat typeert de hele bundel. Zang en zucht. Van een zeer bekorende schoonheid. De schoonheid van het verlies en de grillige dood van ‘een engel zo / waar.’ ‘inleverdatum onbekend / draag ik de dood in / een doosje in mijn hoofd / tot het tijd wordt om / in de doos te verdwijnen.’”

    Lennert Ras, Meander, 2017

  3. :

    Engelenspoor staat grotendeels in het teken van de dood en de vergankelijkheid. (…) Meier kiest niet voor pathetiek; hij beschrijft bij voorkeur het onopvallende dat als het ware wordt uitvergroot en de tragiek ingehouden maar tastbaar maakt. Zo is er een afdeling die geïnspireerd is door het beeldende werk van Berlinde De Bruyckere, dat evenzeer de kwetsbaarheid van mens en wereld centraal stelt. Hier zijn de gedichten een stuk meer gedrongen en beeldrijk, waardoor de ondoordringbare monumentaliteit van de kunstenares goed tot zijn recht komt. Meier verleent daarenboven aan deze reeks een meerwaarde door de nauwgezette, haast muzikale compositie ervan, met een web van hernemingen, variaties en contrasten. Als dichter heeft Meier duidelijk een eigen identiteit, en daarbij gaat hij de grote existentiële vragen niet uit de weg. Dat maakt van Engelenspoor een fascinerende (…) bundel.”

    Dirk De Geest, Mappa Libri, 2017

  4. :

    “Veel poëzie gaat over een afwezige of gestorven geliefde van wie dierbare beelden worden opgeroepen. Zo ook deze bundel van de Vlaamse dichter Meier (…). Fraai wordt het mysterie van de tijd uitgedrukt: ‘de tijd gestolen tussen de tijd / met even gesloten ogen / ogenblikken van eeuwen her / en van niet beleefde / zonverlichte nachten’. In de gedichten over engelen, waaraan de bundel zijn titel ontleent, treft de fantasie over deze wezens die, naar de tekst op de omslag, ‘niet zozeer hemelse wezens zijn, maar symbool staan voor aardse zaken als afscheid en dood’. Een mooi vormgegeven bundel die tamelijk toegankelijke poëzie met een eigen geluid bevat.”

    O.W. Dubois, NBD Biblion, 2017