Geerts-Dathetblijftduren kopie
Publicatie datum

06/05/2017

ISBN

978-94-92339-30-0

 17,50

Dat het blijft duren

Auteur: Jan Geerts

kan je de tijd wat zachter zetten / vroeg je, ik dacht aan je lichaam

Twee geliefden geraken zoek in de plooien van een donker, liegend bestaan. Adem naast adem liggen ze in te kleine huiden te kijken naar de spreeuwen. Er zijn twee werelden, zegt de dichter, één binnensmonds en één buitensmonds en daartussen wonen wij.

Stelde Een volle maan met onze handen ernaast het ‘altijd’ nog in vraag ten voordele van een twijfelend ‘soms’, nu – een decennium later – wordt de aandacht verlegd naar hoop. Dat hoop altijd iets van angst veronderstelt, dat hoort daar ook bij. Jan Geerts verweeft als geen ander het kwetsbare met zintuiglijkheid, hij boetseert de taal tot beklijvende gedichten. Als minnaar, als beminde. Want spreken is zoenen in het ijle.

Het schilderij op de cover is van de hand van kunstenares An Steylaert.

Knipsel

 

Soms geloof je de wereld niet meer
je slaat de krant dicht en maakt
met haar woorden een bootje
ook al ben je al lang kwijt hoe dat moet
en vouwen je vingers zich verloren

tot je de meeuwen hoort en de golven
aan je enkels likken, het zout zingt
in je gezicht en je vader die je in geen
jaren nog hebt gezien neemt je bij de hand
en wijst, dit is de zee, dit waren wij

 

Over de auteur

Jan Geerts (Hoogstraten, 1972) publiceerde in diverse literaire tijdschriften en bloemlezingen. Hij debuteerde in 2004 met Tijdverdriet en andere seizoenen (Uitgeverij P). Daarop volgden Een volle maan met onze handen ernaast (2005), De n van iemand (2008) en Zwerfsteen (2012).

Recensies

  1. :

    “De titel van Jan Geerts’ nieuwe bundel drukt tegelijkertijd verlangen en angst uit. Wat blijft duren, de vreugde, de pijn, het spreken of het zwijgen? De dichter weet dat wij sterfelijk zijn (…). Geerts lijkt er niettemin van overtuigd te zijn dat de eindigheid met onveranderlijke en eeuwige patronen gepaard gaat. Afwezigheid en aanwezigheid zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden (…). De aanwezigheid komt vooral tot uitdrukking in het spreken en het zien. Stilte betekent niet per definitie afwezigheid, maar in het werk van Geerts alleszins een minder opvallende aanwezigheid. De gedichten van Geerts zijn opvallend lichamelijk verwoord, en de woorden zijn niet minder dan het lichaam zelf essentieel voor het zijn. Jan Geerts heeft een heel eigen woordenschat, legt verrassende verbanden (…) en kent de canon van de Nederlandstalige poëzie. Geerts heeft erop gewezen dat we woorden nodig hebben om in te wonen (…). Een gedicht is een huis om in te wonen, maar men moet het wel leren ‘lezen’ om het te kunnen bewonen.”
    Romain John van de Maele, Meander, 2017